Belichtingswaarde of Exposure Value

Belichtingswaarde of Exposure Value (EV)

 

 

 

In het vorige blog “Help, mijn camera bedriegt mij” heb ik getracht om duidelijk te maken dat we de belichtingsmeter van onze DSLR-camera’s, of van onze camera's in het algemeen, niet mogen vertrouwen omdat die meter kan alleen maar lichtwaarden vergelijken met 18% grijswaarden. Dus, als we een opname maakten van een zwart blad of van een wit blad dan werden die beide als een grijs blad weergegeven, als we zelf niet ingrepen…. We gaan nu bekijken hoe we zelf kunnen ingrijpen. 

 

Laten we het eenvoudig houden om te beginnen. We gaan buiten in de tuin of op de straat staan en gaan een opname maken met onze camera. Liefst gedurende de dag als we het eenvoudig willen houden. Met het doosje dat wij “camera” noemen gaan we het aanwezige licht willen vatten of capteren of vangen. We willen een beeld vasthouden of vastleggen met onze camera, dit betekent dat we het aanwezige licht willen vastleggen. In het pikkedonker is er geen licht aanwezig dus kunnen we ook geen beeld vastleggen. 

 

De hoeveelheid licht die op dat ogenblik op de straat of in de tuin aanwezig is wordt bepaald door de eventuele bewolking, het uur van de dag, schaduw van omgevende bomen of gebouwen, enz,… Wijzelf zeggen dan ook dat het een heldere dag is of een donkere dag. Dat doet ook onze camera: hij meet het aanwezige licht en geeft daar een lichtwaarde aan, een cijfer, wat wij de belichtingswaarde noemen. In het Engels noemt men dat de Exposure Value of afgekort EV. We gaan er nu van uit dat we die lichtwaarde niet kunnen veranderen. 

 

 

In onze camera hebben we nu 3 parameters waarmee we het binnenkomen en het registreren van die lichtwaarde kunnen regelen. Dat zijn: 1. het diafragma, 2. de sluitersnelheid en 3. de gevoeligheid van de sensor (of de ISO-waarde). Als we onze camera in de Program-modus zetten dan zal hij een combinatie van die 3 parameters kiezen. Bijvoorbeeld diafragma 8 bij een sluitersnelheid van 1/60sec en een ISO-waarde van 400. We moeten goed voor ogen houden dat dit 3 variabelen zijn, die we alle drie kunnen aanpassen naar onze behoeften maar dat we nooit één waarde alleen kunnen aanpassen want dan gaan we onder- of overbelichten maar dat is voor later. Laten we voor die belichtingswaarde het getal 24 nemen, gewoon willekeurig. Dit getal 24 kunnen we zien als het rekenkundige product van 4x1x6 of van 3x4x2. We kunnen nu niet willekeurig één getal veranderen want dan is het product geen 24 meer, dan moeten we minstens één ander getal ook aanpassen. Dus als we het diafragma, waarvoor we in ons voorbeeld waarde 8 gekozen hadden, willen aanpassen naar een hogere of lagere waarde dan moeten we ofwel de sluitersnelheid ofwel de ISO-waarde ook aanpassen en nog wel in de andere richting. 

 

Waarom zouden we die waarden willen veranderen? We willen bijvoorbeeld de kinderen of de hond fotograferen op de straat en die zitten vaak niet mooi stil. Om dan geen bewogen beeld te hebben zullen we onze sluitersnelheid moeten  korter maken naar 1/250sec bijvoorbeeld maar dan moet we of de diafragmawaarde of de ISO-gevoeligheid dienovereenkomstig aanpassen of beide waarden aanpassen want ons product (de belichtingswaarde) moet hetzelfde blijven. Het licht buiten is immers niet veranderd. 

 

Bij een Nikon-camera in de Program-modus heb je de mogelijkheid om je belichting naar je eigen voorkeur aan te passen door aan één van beide instelwieltjes voor diafragma en sluitersnelheid te draaien maar dan zal je zien dat het andere automatisch aangepast wordt. Als je toestel ingesteld is op Auto-ISO dan zal hij ook de ISO-waarde misschien aanpassen. Het aanpassen van die parameters gebeurt in “stops” of stappen van 1 stop. 1 stop is dus 1 lichtwaarde. Om de aanpassingen nauwkeuriger te laten gebeuren wordt in de praktijk met aanpassingen van 1/3 stop gewerkt maar dat kan je op je toestel instellen. 

 

De opeenvolgende stappen of stops zijn op het eerste gezicht niet steeds even logisch maar iedereen went daar wel aan als je er meer mee omgaat. We beginnen met de meest logische rij en dat is de sluitersnelheid. De snelheid wordt steeds uitgedrukt in seconde of delen ervan:

 

Sluitersnelheid

1sec 1/2 1/4 1/8 1/15 1/30 1/60 1/125 1/250 1/500 1/1000 1/2000 …

dus de tijd wordt met iedere stop met de helft verkort. 

 

Diafragmawaarden (f-waarde)

 1 1,4 2 2.8 4 5.6 8 11 16 22 32 45 …

dit zien er onlogische waarden uit maar dat komt omdat ze eigenlijk de verandering in de oppervlakte van het diafragma weergeven, dus de oppervlakte van het gaatje waar het licht doorheen valt. Iedere stop in deze reeks laat steeds de helft minder licht door, dus helemaal links de grootste opening en rechts de kleinste. 

 

ISO-waarden

50 100 200 400 800 1600 3200 6400 12800 25600 …

een hogere ISO-waarde is steeds een verdubbeling van de lagere waarde. De gevoeligheid van de sensor neemt dus toe met de waarden van links naar rechts. 

 

 

 

De hier opgesomde reeksen zijn  steeds “hele stops”. 

Een tabel waarin je links de belichtingswaarden en bovenaan de diafragmawaarden kan aflezen. Bij een zelfde belichtingswaarde (horizontale lijn) zie je dan de "gekoppelde" diafragmawaarden en sluitersnelheden. De ISO-waarde blijft nu constant.
Een tabel waarin je links de belichtingswaarden en bovenaan de diafragmawaarden kan aflezen. Bij een zelfde belichtingswaarde (horizontale lijn) zie je dan de "gekoppelde" diafragmawaarden en sluitersnelheden. De ISO-waarde blijft nu constant.

We gaan nu terug naar het hogergenoemde voorbeeld van een gemeten waarde van diafragma 8, bij een sluitertijd van 1/60 en een ISO-waarde van 400. Dat hadden we op straat gemeten. Als we nu spelende kinderen op die straat willen vastleggen dan zal een sluitertijd van 1/60 waarschijnlijk te traag zijn want de bewegingen zullen dan niet “bevroren” zijn maar bewogen beelden opleveren. Dus willen we onze sluitertijd aanpassen naar 1/250seconde maar dan moeten we het diafragma ook aanpassen of de ISO-waarde of beide. Van 1/60 naar 1/250 zijn 2 stops minder licht dat we doorlaten dus kunnen we het diafragma 2 stops verder opendraaien, dus van f8 naar f4. Maar we kunnen ook de gevoeligheid van onze sensor aanpassen van ISO 400 naar ISO 1600. Of kiezen voor een compromisoplossing en de ISO-waarde 1 stop aanpassen naar ISO 800 en diafragma naar f5.6.

 

 

Volgende keer: “Ieder nadeel heb zijn voordeel” of omgekeerd. 

Commentaar schrijven

Commentaren: 2
  • #1

    Mieke Geuens (donderdag, 11 februari 2016 15:07)

    Stefan, dat heb je duidelijk uitgelegd. Ik ben niet zo een goede fotograaf en heb me hierin ook nooit echt verdiept.
    Alvast bedankt.

  • #2

    Stefan Alen (donderdag, 11 februari 2016 21:49)

    Hallo Mieke,
    Als ik zo natel dan ben ik nu toch ook al van in de jaren '70 bezig met fotografie. Da gaat al naar de 40 jaar maar wel met up's en een heel lange down. Maar het is zoals met fietsen, als ge de basis eens onder de knie hebt dan verleert ge het niet meer.
    Ik zou mijn duizenden cactus-dia's eens moeten bovenhalen en digitaliseren. Maar ik kijk liever uit naar nieuwe horizonten dan naar het verleden.
    Bedankt voor uw reactie en ik hoop dat ge er iets aan gehad hebt.
    groetjes,
    Stefan